Het concerto is een muziekstuk waarin één speler (de solist) vooraan op het podium staat of zit. De solist is de ster van de avond en speelt samen met het orkest. Soms heeft het orkest een begeleidende rol (en heeft de solist de meeste melodieën), maar vaak is er veel wisselwerking tussen beide. Een concerto is een bijzonder spannende muziekvorm: je krijgt niet alleen het hele orkest, maar ook nog eens alle mogelijkheden van één instrument te horen. Vaak zijn concerto’s erg virtuoos geschreven en razend moeilijk. De solist vergiet dan bloed, zweet en tranen terwijl jij geniet.
Net zoals de symfonie staan de delen of bewegingen van een concerto op zichzelf. Ze worden van elkaar gescheiden door een korte pauze. De meeste concerto’s hebben drie delen of bewegingen:
Het concerto is ouder dan de symfonie. Al in de barok werden er concerto’s gecomponeerd. Vivaldi schreef er maar liefst een vijfhonderdtal.
In de klassieke periode was Mozart de belangrijkste componist van concerto’s. Zijn pianoconcerto’s – geschreven voor zichzelf – zijn niet alleen wonderlijk mooi, maar gaan veel verder in het weerwerk tussen solist en orkest.
In de vroegromantiek was het opnieuw Beethoven die het concerto tot op een hoger niveau bracht. Zijn vijf pianoconcerto’s en zijn vioolconcerto zijn erg dramatisch en laten het orkest flink aan bod komen.
In de hoogromantiek en laatromantiek waren uiterst virtuoze concerto’s enorm populair. Het publiek was helemaal weg van de concerto’s van Liszt, Chopin of Paganini – componisten die hun werken zelf uitvoerden. Sommige componisten experimenteerden met eendelige vormen of voegden delen toe aan het traditionele concerto. De meeste romantische concerto’s werden geschreven voor viool of voor piano.
Ook in de moderne muziek en nieuwe muziek werden er concerto’s geschreven. In deze werken ligt de klemtoon niet zozeer op de virtuoze solistenpartij, maar op het uitdenken van nieuwe klanken. Moderne componisten schreven daarom concerto’s voor instrumenten waaraan de romantiek weinig aandacht besteedde.