Symfonieorkesten kunnen aanzienlijk in omvang variëren, maar allemaal bestaan ze uit dezelfde grote instrumentengroepen: strijkers, houtblazers, koperblazers en slagwerk. Elk van die groepen heeft een vaste plaats binnen het orkest.
De orkestleden zitten in een halve cirkel rond de dirigent. De zachtst klinkende instrumenten, de strijkers, zitten vooraan, daarachter zitten de houtblazers, de koperblazers en helemaal achteraan het slagwerk. Een buitenbeentje is de harp, het enige getokkelde snaarinstrument dat vast deel uitmaakt van een symfonieorkest.
In elke groep zit er iemand die het voor het zeggen heeft. Die man of vrouw wordt de aanvoerder genoemd. Hij of zij is er niet alleen verantwoordelijk voor dat zijn of haar groep alles perfect uitvoert wat de partituur voorschrijft of wat de dirigent vraagt. De aanvoerder neemt ook alle solo’s voor zijn of haar rekening. De aanvoerder van de eerste violen is tevens de aanvoerder of vertegenwoordiger van het hele orkest. Hij wordt daarom ook concertmeester genoemd. De aanvoerder van het slagwerk is de paukenist.